News:

Het Rijksmuseum had haar erfstuk - The Rijksmuseum had their heirloom

1970
1945
NRW 17 September 2019
Rinskje Koelewijn

Myra Kleiweg de Zwaan (53) ging op zoek naar de familiekunst die tijdens de oorlog was geroofd. Eén schilderij vond ze terug.



Myra Kleiweg de Zwaan (53) tikt zachtjes op de foto van haar grootmoeder, die voor haar op tafel ligt. „Ze was heel jong toen ik werd geboren, 48. Ik was haar oudste kleinkind.” Lange vakanties bracht ze met haar door. Als diplomatendochter woonde Myra in New York en New Delhi, Nairobi en Kopenhagen en als ze in Nederland was, logeerde ze bij oma Ien, voluit Regina van Nierop. „Ze was zo’n positief mens en ze kon zo prachtig vertellen. Verhalen van je ouders wil je als kind nooit horen, maar wél die van je grootouders.”

Haar oma vertelde over haar jeugd in Amsterdam, – ze was van 1917 – over de oorlog, het grote huis aan de Breitnerstraat waar ze opgroeide, met aan de muren schilderijen van mensen met van die ouderwetse pruiken. En die schilderijen, daar gaat het nu over, want die waren na 1945 dus weg.

„Je weet hoe het gaat met verhalen, ze worden aangedikt en aangepast, je hebt dingen niet goed begrepen of verkeerd onthouden. Maar dit is wat ik weet: In het ouderlijk huis van mijn grootmoeder hing een collectie schilderijen. Geen Rembrandts of zo, maar portretten van familieleden die volgens mijn grootmoeder teruggingen tot in de Gouden Eeuw.” De oorlog brak uit. „Mijn oma was inmiddels getrouwd, met een niet-joodse man, ze woonden in Den Haag en hadden een baby, dat was mijn vader.” En toen stond haar grootmoeders moeder voor de deur, met één koffertje bagage. Zij was haar huis uitgezet door de Duitsers die in 1940 al op de stoep stonden van het huis aan de Breitnerstraat. „Haar echtgenoot, mijn overgrootvader, werkte voor de bank en was betrokken bij besprekingen over de Duitse staatsschuld. [De Duitse regering was in de jaren 30 gestopt met afbetalen]. Met deze ‘Herr Van Nierop’ wilden de nazi’s graag meteen afrekenen, maar ze troffen hem niet thuis – hij zat toevallig in New York. Daarop werd zijn echtgenote op straat gezet, het huis gevorderd en in gebruik genomen als officiersmess en hoerentent. „Mijn grootmoeder vertelde dat de Duitsers het huis vlak voor de bevrijding overhaast ontvluchtten. Het was compleet kaal gehaald, alles verschwunden, de vloeren en muren onder de poep. Want, zei ze dan, bange mensen gaan poepen.”

„Oma vertelde altijd dat haar broer viool speelde en met zijn strijkstok een gat had geprikt in een van de doeken. Als meisje van zes wilde ik altijd naar het museum, om te helpen zoeken naar een schilderij met een gat erin.”

Bám. 31 hits

Myra’s grootmoeder is overleden. „Een half jaar voor ik voor de eerste keer ziek werd, dat heeft ze gelukkig niet mee hoeven maken.” Borstkanker, Myra was 38, de jongsten van haar vier kinderen waren 1 en 3. „Mijn oma had vrede met de dood, maar wat onverteerbaar bleef, was dat er niemand meer zou zijn die de schilderijen zou kunnen identificeren. Iedereen van haar generatie was dood, haar kinderen hadden de portretten nooit gezien.”

Jaren later kwam de borstkanker terug. „Het was 2016, ik was moe door de behandelingen. Ik lag op de bank met mijn laptop en kon niet veel.” In de krant las ze een berichtje, waarin stond dat Bureau Herkomst Gezocht een website had gelanceerd om door het nazi-regime geroofde kunstwerken te koppelen aan de rechtmatige eigenaars. „Ik denk, ik doe eens gek, en klop de familienaam van mijn oma in. Van Nierop. Bám. 31 hits.” Ze toont de pagina: 31 omschrijvingen van de schilderijen uit haar oma’s huis, een enkele met een afbeelding erbij. „Mijn overgrootvader [na de oorlog teruggekeerd uit New York] en zijn broer hadden de schilderijen als vermist opgegeven.” De meeste beschrijvingen zijn vaag: ‘Een meisje ten halve lijve’, olieverf, familiebezit, schilder onbekend. Maar deze, zegt Myra en wijst op een duimgroot plaatje, leek me hoopgevend. ‘Heer in bibliotheek met viool.’ Pasteltekening. Dit portret is gedateerd, 1747 én de naam van de schilder is vermeld: Philippus Endlich.

Haar vader, zegt ze, was nooit zo geïnteresseerd in waar die portretten waren gebleven. „De verhalen van vroeger boeiden hem minder dan mij. Hij is nooit op zoek gegaan én hij had geen Google.” Myra combineerde de zoektermen Philippus Endlich en Heer in bibliotheek met viool. Eerste hit: het Rijksmuseum in Amsterdam. Het was, zegt ze, alsof mijn hart ontplofte. Het beroemde museum in Amsterdam, waarvan haar halve familie donateur dan wel vriend is, heeft een geroofd familieschilderij in bezit? „Hoe wrang is dat?” Alle olieverfschilderijen in de collectie zijn wél gecontroleerd op herkomst, zegt ze erbij. „De tekeningen blijkbaar niet.”

Hoe het schilderij daar terecht is gekomen, dat heeft ze achterhaald. Voordat haar overgrootmoeder met haar koffertje naar Den Haag moest, heeft ze de schilderijen in bewaring gegeven bij de toenmalige Amsterdamsche Bank. Vanaf 1941 verordenden de nazi’s dat alle joodse bezittingen en tegoeden overgedragen moesten worden bij de Liro-bank, de ‘roofbank’ wendde het joods kapitaal vervolgens aan voor de eigen oorlogsmachine. Myra heeft het Liro-archief ingezien. „Bij de Liro zijn twaalf schilderijen ingebracht, eigendom van familie Van Nierop uit Amsterdam. De ‘heer met viool’ is in 1943 door de Liro-bank voor 31,25 gulden verkocht via kunstveiling Mak van Waaij. En vervolgens werd het op 24 mei 1944 voor 207 gulden geveild aan het Rijksmuseum, waar het uiteindelijk in het depot belandde.

Die viool, dat deed het hem voor mij, zegt Myra. „Mijn vader speelt viool, zijn grootvader, mijn oom, zijn neven, mijn broer, diens kinderen. Het enige waar ik lol aan had tijdens mijn ziekte was, achter de piano, mijn zoon op zijn viool begeleiden.” Deze afbeelding van wat vermoedelijk een verre over-over-overgrootvader van haar is, mét z’n viool, die hoorde niet in het depot, vond zij, maar bij haar familie. „Ik heb overlegd met mijn oom, hoogleraar nieuwe geschiedenis. Hij zei: ik vind dat je het moet terugvragen.”

Twee weken nadat ze haar familienaam had ingetikt op de site van Bureau Herkomst Gezocht, lag het verzoek tot restitutie bij het Rijksmuseum. De restitutiecommissie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap boog zich er vervolgens over, en die adviseerde de minister: dit schilderij moet terug naar de rechtmatig eigenaar. Wie van de zestien erfgenamen dat precies was, moest de notaris daarna nog uitzoeken. „Maar in mei van dit jaar, op Jom Hasjoa, de dag dat de joodse gemeenschap de Shoah herdenkt, stopte een busje van het verhuisbedrijf voor het huis van mijn oom om het schilderij af te leveren. „Hij is de enige met de achternaam van mijn oma. Bij hem hangt het boven de bank en daar hoort het.”

Wie was de heer met de viool?

Rest de vraag: wie is die ‘heer in bibliotheek met viool’? Dat heeft Myra uiteraard ook uitgezocht. Wat daarbij hielp was een onvolledige stamboom die een achteroom van haar in de oorlog maakte. Dat was geen hobby van hem, maar een overlevingspoging. „Mijn voorouders waren joden uit Spanje en Portugal, die zich in de zeventiende eeuw in Amsterdam vestigden.” Om vervolging door de nazi’s te voorkomen, probeerden Sefardische joden met stambomen te bewijzen dat ze niet tot het joodse, maar tot het mediterrane ras behoorden. Uit de stamboom destilleerden ze vier kandidaten die mogelijk de man op het portret uit 1747 waren: James, Abraham, Benjamin en Jozef. „Van Abraham is een ander portret gevonden. Zijn ogen, neus, ik zie geen gelijkenis.” Benjamin is te jong om de man op het schilderij te kunnen zijn. Bleef over: James uit Engeland, of Joseph uit Amsterdam. „James was muziekliefhebber e n musicus. Hoe weet ik dat? Omdat hij een abonnement had op bladmuziek van Händel.” De Duitse componist (1685-1759) had als verdienmodel betalende abonnees en hield een keurige administratie bij. „James, oorspronkelijk Jacob, leek onze man.” Maar? „Nergens uit de archieven blijkt dat schilder Philippus Endlich, een Amsterdamse schilder, ooit in Engeland is geweest. En uit uitvoerige correspondentie uit dat jaar tussen James en zijn handelspartner in Antwerpen blijkt niet dat James in Nederland was.”

Joseph Fernandes Nunes moet de man op het portret zijn. „Hij beheerde een paardenstal op wat nu de Nieuwe Kerkstraat is. In de woningen daarboven waren arme joods-Portugese dames gehuisvest.” De achttiende-eeuwse gevelsteen op het pand is nog intact. Het opschrift luidt: ‘Ende de Heere was met Joseph, soo dat hij een voorspoedigh man was’. „Het gaat hem goed, dat zie je zo. Hij is blij, optimistisch. Net als mijn oma. Ze verloor vrienden, familie, het joodse leven uit haar jeugd was vernietigd. En toch bleef ze vrolijk en altijd positief.”

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/09/17/het-rijksmuseum-had-haar-erfstuk-a3973623
© website copyright Central Registry 2019